Stukken
Specifieke
bewegingskenmerken:
De
koning
begint op
e1 (wit) en e8 (zwart). De koning mag naar alle 8 aangrenzende
velden
bewegen.
De dame begint
op d1 (wit) en d8 (zwart).
De dame mag zowel
vertikaal, horizontaal als diagonaal
bewegen en tot de rand van het bord of tot en met het eerst
bezette
veld.
De toren
begint op
a1, h1 (wit) en a8, h8 (zwart).
De toren mag zowel horizontaal als
verticaal bewegen tot de rand van het bord of tot en met het eerste
bezette veld.
De loper begint op
c1, f1 (wit) en c8, f8 (zwart).
De loper mag diagonaal bewegen tot de
rand van het bord of tot en met het eerste bezette veld. Het
paard
begint
op
b1, g1 (wit) en b8, g8 (zwart).
Het paard beweegt altijd 1 veld
diagonaal en dan 1 van horizontaal of verticaal.
Het tussenliggende
veld mag hierbij bezet zijn, m.a.w.: het paard mag springen.
De pion
beginnen op
elk van de velden van de tweede (wit) en de zevende rij (zwart).
De
pion beweegt uitsluitend één veld recht vooruit,
behalve vanuit de beginpositie, dan mag de pion ook twee velden recht
vooruit.
De pion slaat echter niet recht vooruit, maar
één veld diagonaal vooruit.
De pion heeft nog een
speciale zet: zie het en
passant slaan.
Een pion kan ook promoven.
Er zijn
twee mogelijke
zetten waarbij twee stukken gebruikt
worden: de rokades.
Hierbij wordt de
koning van het beginveld twee plaatsen in de richting
van een hoek verzet, en komt de toren uit die hoek op veld dat de
koning gepasseerd is.
Duur van een
spelbeurt
Indien er met
klok
gespeeld wordt, heeft
de speler de beurt, totdat hij deze indrukt.
Indien er
zonder
klok
gespeeld wordt, wordt algemeen de regel
gehanteerd dat de tegenstander aan de beurt is zodra de speler het
gespeelde stuk heeft losgelaten.
Een eigen
stuk,
dat
aangeraakt wordt, moet gespeeld worden,
tenzij dat onmogelijk is; een stuk van de tegenstander dat men
aanraakt, moet men slaan, tenzij dat onmogelijk is. Wanneer een van de
stukken niet precies op zijn veld staat, kan men het goed zetten, maar
dat moet aangekondigd worden (anders geldt de verplichting
het te
zetten of te slaan). Traditioneel gebeurt dat in het Frans: J'adoube
(= ik zet recht).
Einde
van het spel
Men wint het
spel door de
tegenstander schaakmat
te zetten. Dit houdt in dat men de koning aanvalt (dreigt te slaan op
de volgende zet), en dat het voor de tegenstander onmogelijk is een zet
te doen om dit te voorkomen. De partij is hiermee onmiddellijk
afgelopen. De koning wordt normaliter dus niet daadwerkelijk
geslagen. Als de koning schaak
staat, maar niet schaakmat,
wordt de koning wel
aangevallen, maar is minstens één
tegenzet mogelijk.
Indien de
speler
die aan
zet is geen enkele reglementaire zet
kan doen en niet schaak staat, dan is het pat. Het is dan remise,
wat ook de partij beëindigt. Er zijn nog een paar andere
remisemogelijkheden.
Daarnaast kan
een speler
ook remise aanbieden, wat door de
tegenstander geaccepteerd of verworpen kan worden. Het aanbod kan
mondeling worden verworpen, of door een zet te doen. Als het aanbod
geaccepteerd wordt is de partij remise, en is daarmee afgelopen.
Onredelijke en/of veelvuldige remise-aanbiedingen kunnen worden
beschouwd als het
hinderen van de tegenstander en mogen door de
arbiter (als er één aanwezig is) worden bestraft.
Schaakpartij
Een
schaakpartij
wordt
ingedeeld in drie fasen, de opening,
het middenspel en het eindspel. Vanuit de beginpositie is een groot
aantal reeksen van zetten en tegenzetten geanalyseerd waarvan bekend is
of die uiteindelijk voordelig zijn voor wit, of voor zwart. Dit zijn de
openingen.
Na de opening, als de stukken ontwikkeld zijn, begint het middenspel,
waarin de spelers proberen door het behalen van kleine voordelen de
overmacht in het spel te krijgen. Als er over en weer veel stukken zijn
geslagen, en de koning een actievere rol begint te krijgen, breekt de
fase van het eindspel
aan.
Complexiteit
Het
aantal
reglementaire
stellingen op het schaakbord ligt
naar schatting tussen 1043en
1050,
en de
speltheoretische
complexiteit is ongeveer 10123. De speltheoretische
complexiteit van het schaakspel werd als eerste
benaderd door Claude Shannon (grondlegger van de informatietheorie)
als zijnde 10120, het
"Shannon getal". Vanuit een 'gemiddelde' stelling (middenspel) zijn er
dertig tot veertig reglementaire zetten mogelijk, maar het kunnen er
ook nul zijn (bij schaakmat of pat) of maar liefst
218.
© 2005 - Lucas Vervoort
- Pagina laatst bijgewerk op 13/09/2005